Integer onderzoek


Integere houding ten opzichte van nabestaanden (i.c. kinderen van Piet Doelman)

Citaat

9: “Ik heb waar mogelijk de betrokkenen en/of hun nabestaanden geïnterviewd.”

Commentaar

Van Buuren heeft verzuimd de nabestaanden van Piet Doelman vooraf te benaderen. Hij had zich bewust moeten zijn dat zijn conclusies schokkend zouden zijn voor de familie van Piet Doelman. Het past in dat geval vooraf hierover contact zoeken met de familie. Ook had dan ‘hoor en wederhoor’ kunnen plaatsvinden. Voorafgaande aan de 2e druk is er wel contact geweest, maar zeer beperkt. Van Buuren meldt dat overigens niet. Wetend dat de 1e druk heeft geleid tot de nodige commotie, had het hem gepast voorafgaande aan de 2e druk wel overleg te plegen met de familie.


Beschrijving van het verhoor van Lein Francke door Doelman

Citaat

25 – 28: gehele tekst

Commentaar

Van Buuren geeft hier een gedetailleerde beschrijving waarbij ik echter sterk twijfel of hiervoor aanvullende bronnen zijn. De enige mij bekende bron is het ‘Rapport inzake het overlijden van den heer Lein Francke te Maassluis’ (9 mei 1945), aanwezig in het Nationaal Archief, CABR 2348, 2.13.137. Ik nodig Van Buuren uit zijn aanvullende bronnen te onthullen. De beschrijving die hij nu geeft, is zo plastisch dat de onbevangen lezer heel makkelijk meegaat in het verhaal. De beschrijving heeft nu alles weg van een docu-drama (een gedramatiseerde voorstelling van een historische gebeurtenis). De getuigen geven een ander beeld. Feit en fictie lopen in de beschrijving van Van Buuren teveel door elkaar. Zie ook: E. Slot (2012).


Een anekdote als bewijs?

Citaat

221: ”Ik zal met dit ene voorbeeld volstaan om aan te geven hoezeer het beeld van het gewapend verzet in dit grote Gedenkboek wordt verdraaid, geïdealiseerd en in christelijke zin gemythologiseerd.”

Commentaar

Van Buuren trekt op grond van één anekdote een conclusie die geldig zou zijn voor het grote geheel, nl. dat de redactie van Het Grote Gebod aan geschiedvervalsing zou hebben gedaan  – en dat gebaseerd op één bewijs. Het lijkt op de vakantieganger in Parijs die één dag regen meemaakt en dan beweert dat het in Frankrijk altijd regent. Hij hangt dus één van zijn belangrijkste stellingen in zijn boek op aan één anekdote. Wetenschappers dienen hun brede conclusies echter te baseren op een overvloed aan feiten.


Doelman en liquidaties

Citaat

107: ”In het Westland bepaalde één man wie er werd geliquideerd en dat was Piet Doelman.”  ”…verspilde geen tijd met zaken als veemgerichten…”

Commentaar

Dit is een ernstige beschuldiging aan het adres van Doelman. Van Buuren heeft gebruik gemaakt van ‘Verzetsherinneringen’ (Gemeentearchief Naaldwijk). Op p. 135 staat daar letterlijk vermeld dat Doelman “beraadslaagde met enkele andere mensen uit het verzet” voordat werd besloten tot het liquideren van iemand. Deze bron niet noemen getuigt van vooringenomenheid en niet integer onderzoek. Van Buuren geeft geen enkel bewijs dat Doelman als enige besliste. Hij doet niet eens moeite om zich te verdiepen in de christelijke geloofsovertuiging van Doelman. Van Buuren had dan op zijn minst kunnen vermoeden dat het nu opgeroepen beeld (zonder wroeging, gewetensonderzoek of overleg overgaan tot liquidaties) erg kort door de bocht is – om het mild uit te drukken.


Anoniem gebruik van een getuige

Citaat

146: ”Een afwijkende versie van dit verhaal is me verteld door een van de verzetslieden die bij de gebeurtenis betrokken was… de enige die nog in leven moet zijn.”

Commentaar

Van Buuren noemt zijn bron niet en maakt daarover zelfs geen melding in zijn verantwoording  op p. 284. Dat is niet correct. Op p. 147 gaat hij twijfelen aan de juistheid van de versie van deze bron (“valse samenhang”). Van Buuren diskwalificeert deze bron  op p. 148 nog meer (“niet bestand tegen nader onderzoek… gebruik maakte van het feit dat bijna al zijn verzetsvrienden inmiddels zijn overleden… uit de lucht gegrepen.”). Ik acht dit van weinig respect voor zijn bron getuigen. Waarom Van Buuren het verhaal wel uitgebreid vermeldt, is een raadsel.
De conclusie van Van Buuren dat verhalen uit de oorlog vaak “hun glans verliezen als je ze gaat controleren” is uiteraard correct. Wie iets van ‘oral history’ weet, is daarvan op de hoogte en weet dat het verhaal van getuigen altijd dient te worden gecontroleerd aan de hand van andere bronnen. Dat had hij natuurlijk ook moeten doen.
Wonderlijk blijft zijn redenering: ‘als je ze gaat controleren’, maar dat heeft hij nu juist niet gedaan (‘Ik heb de andere verzetsdaden waarover hij me heeft verteld niet tegen het licht gehouden.’). Deze bespiegelingen van Van Buuren horen overigens niet thuis in de hoofdtekst, maar hooguit in een verantwoording.


Diskwalificatie auteurs ‘Gemeente Naaldwijk 1940-1945’

Citaat

122: ”Hier doet zich het intrigerende verschijnsel voor dat integere historici [i.c. de auteurs van GN40-45] …dit materiaal interpreteren door de bril van een klein aantal stereotypen… ook al spreekt het bronnenmateriaal deze stereotypen tegen.”

Commentaar

Van Buuren zegt hier dat de auteurs van GN40-45 zich hebben vergist en zich hebben laten leiden door onjuiste veronderstellingen (stereotypen). Dat is een ernstige beschuldiging die het hart zou raken van objectieve geschiedschrijving. Op p. 116 noemt hij het boek GN40-45 nog een voorbeeldig boek. “Ze hebben hun bronnen vermeld en gecontroleerd en bij onvoldoende zekerheid de nodige reserves in acht genomen.” Zo hoort het ook!
Op p. 120 noemt Van Buuren het een “mooi boek”. Waarom hij dan op p. 122 deze auteurs verwijt zich te hebben laten leiden door stereotyperingen is een raadsel. Hij verwijt de auteurs dingen niet te zien die hij wel ziet. De bewijslast ligt dan bij Van Buuren. Hij trekt nu wel een erg grote broek aan door te zeggen dat het bronnenmateriaal zijn visie bevestigt.