Kenmerken van een roman


 

Beschrijving route vrachtwagen bij het ophalen van NSB’ers en andere details in hoofdstuk 1 en 2

Citaat

11, 12, 13: diverse details
12: “…kleedde Jaap zich aan, zo goed en zo kwaad als het ging.”
13: “Beneden in de gang werd Jaap duizelig…”  
13: “De armband had hij met enige moeite over zijn mouw gesjord.”
14: “…bewogen zich aarzelend naar buiten, na door de kier te hebben gegluurd…”
16: “…modderkluiten aan de wielen, …bezaaid met stof en stro.”
17: “…drie schoolplaten van Isings waarop respectievelijk te zien waren…”
21: “Kres ging onwillekeurig in de houding staan.”
22: “Er kwam een fles jenever op tafel.”
23: gehele bladzijde

Commentaar

Van Buuren schrijft hier (en op volgende pagina’s) heel beeldend met oog voor details. In hoeverre deze details kloppen met de werkelijkheid valt niet te achterhalen. Dit is ook niet van het grootste belang. De lezer wordt echter op deze manier meegevoerd door een beeldende tekst waardoor feit en fictie moeilijk van elkaar te scheiden zijn. De door Van Buuren gekozen literaire vorm past beter bij een toneelscript of in een docudrama. Verantwoorde geschiedschrijving onthoudt zich van deze stijl.
De beschrijving van de schoolplaten doet vermoeden dat er een foto van het arrestantenlokaal is gemaakt. Dat zou kunnen. In dat geval is de beschrijving correct. Ik ben dan wel benieuwd naar deze foto.
Hoe weet Van Buuren dat Kres onwillekeurig in de houding ging staan?
Graag zie ik een bron voor die fles jenever.
Zie ook: E. Slot (2012), 3.


 

Sprekend opvoeren van hoofdpersonen

Citaat

12: ”Geen grappen, Francke. Als je niet snel je kleren aantrekt, nemen we je zo mee.”
12: “Waar is je zoon? Dan zal ik hem een handje helpen.”
13: “Het is voor je eigen bestwil,” zei de soldaat…
137: “Hé, joehoe, wacht eens even, jullie zijn wat vergeten!”

Commentaar

Van Buuren heeft geen enkele aanwijzing dat deze woorden zó zijn gesproken. Het maakt zijn verhaal voor de lezer makkelijk toegankelijk, maar het past niet in een geschiedkundig onderzoek – tenzij er letterlijk geciteerd kan worden uit bronnen. Van Buuren gedraagt zich als een alwetende verteller. Dat past wel in een roman, maar niet in een historisch werk.


 

Gevoelens en gedachten te berde brengen

Citaat

12: “De soldaat aarzelde.”
13: ”…en gingen na enig aarzelen in de schoolbanken zitten.”
25: “…zodat Francke de indruk kreeg…” “Lein Francke wist aanvankelijk niet waar Piet Doelman het over had.”
27: “Francke had zich voorgenomen om zo weinig mogelijk te zeggen en de aframmeling lijdzaam te ondergaan…”
205: “Lein, die aanvankelijk niet begreep wat Doelman bedoelde…”

Commentaar

Van Buuren treedt hier op als alwetende verteller. Hoe weet hij van deze aarzelingen?
Hoe weet hij wat Francke dacht of welke indruk hij kreeg?
Van Buuren verzint hier wat Francke zich had voorgenomen. Francke heeft na het verhoor met niemand gesproken. VB verzint dus gedachten van Francke, waarschijnlijk om het verhaal wat sappiger te maken. Dat mag in een roman, maar niet in een historisch werk.


 

Opvoeren van informanten

Citaat

30: ”Ik weet het nog als de dag van gisteren, zegt Jan tegen me, want op hetzelfde moment… gras eten. Gras eten? Weet je dat wel zeker, vraag ik. Ja Maarten, je zult het wel niet geloven…”

Commentaar

Van Buuren hanteert hier een journalistieke stijl die wel past in een docudrama, maar niet in een historische studie. M.i. zou deze gedachtewisseling wel in de verantwoording kunnen worden vermeld.


 

Beschrijving van het verhoor van Francke door Doelman

Citaat

25: “…nadat hij even zijn keel had geschraapt om het droge gevoel kwijt te raken…”
26: “…die hem het onaangename gevoel gaf een konijntje te zijn dat bekeken wordt…
26: “Schoftige verrader… jij denkt zeker dat je tot de eeuwigheid door kunt gaan…”

Commentaar

In het Rapport inzake het overlijden van den heer Lein Francke te Maassluis (9 mei 1945) (Archief OD/BS 2348, ten onrechte door Van Buuren ‘Rapport-Maurits’ genoemd) is niets van deze weergave terug te vinden.
Hoe weet hij dat Francke zijn keel schraapte? Hoe kan hij weten hoe Francke zich voelde?
Van Buuren citeert enkele mondelinge citaten overigens wel correct (“Wat die jongen van je in de Oostgaag moest doen? Maar nu is onze/mijn tijd gekomen. Er moet maar een touw komen om hem op te hangen. Die heeft eens op zijn donder gehad.”). Zijn schrijfstijl is hier wel heel beeldend, maar berust voor het grootste deel niet op bronnen.
Zie ook: E. Slot (2012), 5 en 6.


 

Het verhaal van Blonde Gré

Citaat

152: ”Ik neem het verhaal van Blonde Gré dan ook met een schepje zout, maar ik laat het niet weg omdat het zo’n mooi verhaal is en omdat het in de loop van de tijd deel is gaan uitmaken van het verhaal van de bevrijding van Piet Doelman.”

Commentaar

Van Buuren verwijst het verhaal in feite naar het rijk der fabelen. Toch besteedt hij er in hoofdstuk 9 vier bladzijden aan. Als je twijfelt aan een verhaal, dan moet je argumenten noemen of het verhaal weglaten.


 

Verantwoording van de bronnen

Citaat

241-305: gehele tekst

Commentaar

De 65 (!) bladzijden waarin Van Buuren zich verantwoordt over zijn bronnengebruik voldoen niet aan de eisen die een historicus zich dient te stellen. Keer op keer worden titels en auteurs voluit herhaald, waar een korte aanduiding op zijn plaats is. Er wordt niet gewerkt met een notenapparaat, maar Van Buuren citeert steeds een deel van de hoofdtekst en meldt dan de bron of zijn aanvullend commentaar. Het is een methode die eerder past bij een roman. Bovendien staan er in de hoofdtektst van Van Buuren veelvuldig commentaren die eerder zouden passen in de verantwoording. Ook herhaalt hij zich in zijn verantwoording regelmatig, waardoor er een rommelig beeld ontstaat.
Op p. 253 neemt hij de auteurs van GN40-45 nogal de maat: “Het is typerend voor deze studie dat kritische opmerkingen worden ondergebracht in het boek waar ze, gezet in een heel klein lettertje, vrijwel niet zijn terug te vinden in de zee van verwijzingen.” Een wonderlijke redenering waaruit de indruk naar voren komt dat Van Buuren de auteurs van GN40-45 van kwade trouw beschuldigt.