Onjuiste interpretatie van bronnen


Informanten over Jaap Francke

Citaat

44: ”Volgens velen met wie ik gesproken heb, was hij [Jaap Francke] de meest fanatieke NSB’er in heel Maassluis en dus de meest foute Maassluizer die er… heeft rondgelopen.”

Commentaar

Het is gebruikelijk om je bronnen te vermelden. Dat laat Van Buuren hier na. Daarmee wordt zijn betoog deels oncontroleerbaar.


 

Doelman steelt varkens?

Citaat

69: ”Tijdens de oorlog werd Piet Doelman meerdere malen aangehouden in verband met het illegaal slachten van varkens die hij elders … gestolen had.”

Commentaar

Van Buuren leest zijn bron zeer slordig, interpreteert vervolgens onjuist en trekt conclusies die hij niet kan waarmaken. In ‘Gemeente Naaldwijk 1940-1945’, 247, noot 12, staat vermeld dat op 21 januari 1941 bij  Doelman thuis huiszoeking wordt gedaan wegens het vermoeden van de aanwezigheid van vlees in verband met de diefstal van een varken in de gemeente ‘s-Gravenzande. Er wordt inderdaad varkensvlees aangetroffen. Van Buuren spreekt vervolgens over “de aanhouding” van Doelman. Dat blijkt echter niet uit de bronnen. Er is ook verder geen enkele aanwijzing dat Doelman later zou zijn veroordeeld wegens diefstal van een varken. Er is hooguit sprake geweest van een vermoeden.

Op p. 267 spreekt Van Buuren over diefstal van varkens (meervoud). In bedoeld dagrapport staat dit echter niet.

Op p. 70 spreekt Van Buuren over het uitbreiden van Doelmans ‘roofovervallen’ na juli 1943. Daarmee suggereert hij zeker te weten dat Doelman zich voor die tijd ook al schuldig gemaakt zou hebben aan roofovervallen, niet in groepsverband maar persoonlijk. Of hij acht bewezen dat Doelman in januari 1941 echt gestolen zou hebben. Er is echter geen enkel hard bewijs bekend.

In VB2, 76 en 255, noemt Van Buuren de naam van Benjamin Valstar als de eigenaar van het gestolen varken. Hij ontleent dit verhaal aan twee verklaringen van Klaas Valstar (zoon van Benjamin Valstar) van november 2011 (302). Een echt bewijs wordt echter weer niet geleverd. In het dagrapport van de politie wordt de naam van Valstar als degene die aangifte gedaan zou hebben niet genoemd. Dat Doelman eerst de kust  zou hebben verkend tijdens het maken van een praatje met Benjamin Valstar klinkt verdachtmakend en past in het denkschema van Van Buuren. Eerder meldt Van Buuren dat Valstar een collega van Doelman was met wie hij op vertrouwelijke voet stond. Dat past niet bij “de kust verkennen”.

Op deze bladzijde herhaalt Van Buuren het woord ‘varkens’ (meervoud). Het vermoeden van diefstal van één varken is bij hem geworden tot het zeker weten dat Doelman meermalen  varkens van zijn collega-tuinders heeft gestolen (roofovervallen). In VB2, 255, herhaalt hij de stelling dat Doelman een varken gestolen zou hebben van B. Valstar, hier trouwens ook tuinder-varkensboer genoemd. Als je een bewering maar vaak genoeg herhaalt, lijkt deze vanzelf waarheid te zijn geworden.

Van Buuren meldt dat de politie van Naaldwijk op 26 augustus 1941 weer bij Doelman op bezoek geweest is, dit keer in verband met de verdachte herkomst van een fiets. Doelman zou een fiets hebben gekocht van een Naaldwijkse rijwielhandelaar. Deze handelaar had een frame gekocht (mogelijk van een gestolen fiets) en er een nieuwe fiets van gemaakt. Op geen enkele wijze kan dit in verband worden gebracht met diefstal door Doelman. Van Buuren heeft misschien beide onderzoeken door de politie bij elkaar opgeteld en zo van Doelman een roofovervaller gemaakt.

Zie ook: E. Slot (2012), 13 en 14.


 

Statuut Knokploeg?

Citaat

76: ”Een van die verbluffende stukken is het statuut… dat de Knokploeg opstelde.”

Commentaar

E. Slot (2012), 14 en 15, maakt onomstotelijk duidelijk dat dit statuut niet door de knokploeg [i.c. Piet Doelman] is opgesteld zoals Van Buuren beweert, maar dat het door de overkoepelende organisatie van de Binnenlandse Strijdkrachten is opgesteld en toegestuurd is aan Doelman cs.
Doelman stelde dus deze instructie niet op. De daarop gebaseerde redenering van Van Buuren in de volgende bladzijden is dus gebouwd op drijfzand. Dat Doelman zich dus zou hebben onttrokken aan de normale militaire bevelshiërarchie wordt niet bevestigd door deze bron. Integendeel! De bewering “Doelman onderstreept de betreffende zin (niet gebruik van de bevelvoeringskanalen) om te benadrukken dat er maar één bevelvoerder is…, en dat is Piet Doelman.” is volstrekt onjuist. 


 

Overval op boerderij op klaarlichte dag?

Citaat

90: ”De brutaliteit van de overval op de boerderij van oom Klaas en de openheid waarmee dat gebeurde…”

Commentaar

Van Buuren hanteert een onjuiste datum: 24 april i.p.v. 24 februari 1945. Hij denkt dat de overval op klaarlichte dag werd uitgevoerd en dat de overvallers rustig op hun fiets in alle openheid wegfietsten. Zij zouden zich dus heer en meester gevoeld hebben. De Duitsers zouden niets meer te vertellen hebben. De overval verliep echter in werkelijkheid tussen 6.00 en 7.00 uur ’s morgens op 24 februari. Dan is het nog aardedonker. Zijn conclusie (heer en meester, verschuiving van machtsevenwicht na 5 september 1944) kan dus niet  gebaseerd worden op deze bron. Trouwens ook niet op andere bronnen. Van Buuren herhaalt zijn conclusie op p. 137, nu met de toevoeging dat de verzetslieden zich konden verplaatsen “zonder noemenswaardig te worden gehinderd door Duitse militairen.” Werden ze wel een beetje gehinderd?

Trouwens: waarom zou de knokploeg zo’n gedetailleerd verslag hebben opgesteld van deze overval? Waarom is dit verslag bewaard gebleven? De knokploeg heeft de duidelijke behoefte gehad zich te verantwoorden en dat vast te leggen en te bewaren. Juist het feit dat dit verslag gemaakt en bewaard is, betekent m.i. dat de knokploeg ervan overtuigd was correct te hebben gehandeld. De bewering van Van Buuren dat de knokploeg van Doelman te vergelijken zou zijn met een maffiasyndicaat is, wordt juist geloogenstraft door dit verslag. De maffia legt geen documenten aan om zich te verantwoorden!


 

Liquidaties

Citaat

104: ”Knokploeg Westland voerde een groot aantal liquidaties uit.”

Commentaar

In deze bladzijden schetst Van Buuren een beeld dat niet gedragen wordt door bronnen. Hoeveel is een groot aantal? Van Buuren komt tot drie of vier gevallen.
E. Slot (2012), 18, komt tot een andere conclusie.

Duidelijk is dat over liquidaties door het verzet vooral gezwegen is en dat de bronnen ons dus weinig informatie verschaffen. Van Buuren noteert op p. 213 dat Doelman met geen woord rept over liquidaties in zijn ‘Relaas’ ten behoeve van de schrijvers van het gedenkboek ‘Het Grote Gebod’. Ook J.A. Lipman vertelt in zijn herinneringen: “Een aantal voorvallen kunnen niet verteld worden omdat we beloofd hebben daarover te zullen zwijgen.” (Zie: Verzetsherinneringen Vereniging Voormalig Verzet LO-LKP Vlaardingen-Westland, 277). Je kunt hooguit vermoeden over welke voorvallen gezwegen zou zijn. Het zal allicht gaan om ernstige zaken.
Bekend is dat bij veel verzetsmensen (te vergelijken met ex-militairen) het doden van vijanden een traumatiserend effect met psychische schade heeft gehad. Zo heeft Klaas Alblas (zie verder), toen hij oud werd, contact gezocht met Piet Vreugdenhil om te kunnen achterhalen wie hij in 1944 had gedood in opdracht van het verzet. Hij voelde zich duidelijk beklemd door de herinnering en door het geloof dat hij “binnenkort rekenschap moest afleggen aan zijn hemelse Vader.”

Over de situatie in Rotterdam is meer bekend (Van der Pauw, 1995). Daar zijn veel liquidaties uitgevoerd. Of de Knokploeg Westland-Vlaardingen [i.c. Doelman] daarbij betrokken is geweest, is niet bekend.

We moeten bedenken dat over moordaanslagen – ook in de oorlogsjaren – in de schaarse kranten werd gepubliceerd en dat de politie daar onderzoek naar zou hebben verricht. Onderzoek in Westlandse kranten en het politiearchief levert echter niet meer op dan de moord op de NSB’er J.W. Stuit, leider Gewestelijk Arbeidsbureau in Naaldwijk, rond 28 augustus 1944 (zie: GN40-45, 175). Deze moordaanslag is overigens niet uitgevoerd door een lid van het Westlandse verzet (zie: noot 8, 248).

In GN40-45, 154, wordt Klaas Alblas als bron aangehaald voor een door hem uitgevoerde liquidatie in Amsterdam. Hij kreeg daarbij steun van leden van de Rotterdamse KP.
Van Buuren wekt de indruk dat Doelman de grote initiator is geweest van vele liquidaties. De bronnen zijn echter ontoereikend. Het ware beter geweest als Van Buuren dat had erkend en voorzichtiger was geweest met zijn conclusie. Zijn oproep aan het NIOD in het voorwoord bij de tweede druk (VB2, 15) om “de werkelijkheid van het gewapend verzet” nader in kaart te brengen, toont – misschien onbedoeld – juist aan dat er nog veel niet bekend is, zeker over die zaken die oud-verzetsstrijders geheim wilden houden. Grondig onderzoek naar mogelijk nog gesloten archieven zou ons inderdaad meer kennis en een afgewogen beeld van het verzet opleveren. Daarom spreken wij de hoop uit dat dergelijk onderzoek inderdaad door kundige historici uitgevoerd kan worden.

Van Buuren beschrijft in de 2e druk meer gevallen van liquidaties, m.n. in Rotterdam en Den Haag. Het gaat hier o.a. om na-oorlogse liquidaties die door leden van verzetsgroepen gepleegd zijn. Op de achterflap wordt de indruk gewekt dat Van Buuren deze liquidaties onthult (“…nieuwe onthullingen over het gewapend verzet… ook in Den Haag en Rotterdam.”). De werkelijkheid is dat hij niet zelf deze gevallen heeft ontdekt, maar dat hij gebruik maakt van andere auteurs zoals Van der Boom (1995) en De Boer (2006). Zie: VB2, 336.


 

Economische welvaart voor tuinbouw?

Citaat

112: ”De Duitse inval leidde tot een drastische verbetering voor boeren en tuinders. De bezetting was een uitkomst!”

Commentaar

Van Buuren geeft in dit hoofdstuk 8 een zeer incompleet beeld van de situatie rond de tuinbouw. Hij verbindt er ook conclusies met betrekking tot de tuinders in de Westlandse verzetsgroep aan die geen stand houden. De door hem geschetste “verstrengeling van het verzet  met de economische belangen van de verzetslui” (115) is het resultaat van iets willen bewijzen, zonder voldoende kennis van de situatie (‘hineininterpretieren’).

Het beeld dat de tuinders profiteerden van de gedwongen export naar Duitsland is juist voor wat betreft de eerste jaren van de oorlog. Dat er in de laatste periode vooral sprake was tekorten aan brandstof, glas, grondstoffen en middelen, gedwongen verplaatsingen van bedrijven en algehele economische malaise wordt veronachtzaamd.

Natuurlijk hadden Westlandse tuinders meer mogelijkheden om te voorzien in eigen levensonderhoud. Ook werden er door tuinders hoge (woeker) prijzen gevraagd voor hun artikelen. Dit gebeurde zelfs door gereformeerde tuinders (zie: GN40-45,193). Ook daar bestond zwarte handel. Hiertegen trad het verzet echter juist op!
Zie: GN40-45, 186; E. Slot (2012), 19 en 20; A. Vijverberg, Brief aan M. van Buuren, 7 november 2011.


 

Verhouding Binnenlandse Strijdkrachten en Doelman

Citaat

154: ”Nergens deed dit probleem zich zo nadrukkelijk voor als bij Knokploeg Westland… Doelman accepteerde geen bevelen… In feite accepteerde hij niet dat zijn Knokploeg werd omgevormd tot een afdeling van de Binnenlandse Strijdkrachten.”

Commentaar

E. Slot (2012), 22-26, gaat uitgebreid in op deze voorstelling van zaken. Hij toont aan dat Van Buuren zijn bronnen niet correct interpreteert.
De conclusie dat de relatie tussen Westland [i.c. Doelman] en de landelijke organisatie van de BS gespannen was, is overigens ook getrokken door GN40-45, 145.
Nadere studie naar dit vraagstuk is gewenst. Onderzocht dient dan ook te worden in hoeverre na-oorlogse ontwikkelingen hebben geleid tot interpretaties achteraf.


 

Doelman en de tuin van Piet van der Hout

Citaat

160: “Het oog van Piet Doelman viel op het bedrijf van zijn grote rivaal: Piet van der Hout.”
177: ”Zijn wraak moet heel zoet geweest zijn. Op het moment dat Doelman de tuinderij van Van der Hout in bezit nam…”
236: “Deze daad van landjepik…”

Commentaar

an Buuren poneert de stelling dat Doelman heel bewust uit is geweest op het in handen krijgen van de tuin van één van de grootste Westlandse NSB’ers, nl. Piet van der Hout.
E. Slot (2012), 25 en 26, geeft een andere voorstelling van zaken (“…aangeboden door het Nederlands Beheersinstituut, alleen in beheer…”).
GN40-45, 250, noot 10, merkt op dat velen in Naaldwijk na de oorlog van mening waren dat Doelman er onverstandig aan gedaan heeft deze tuin met de woning te accepteren c.q. zich toe te eigenen.


 

Dezelfde knokploeg in 1940 en 1943?

Citaat

209: ”…verklaarde Doelman dat hij in augustus 1940 … een Knokploeg had opgericht. In juli 1943 pleegde deze ploeg de overval op het Naaldwijkse VVO-kantoor.”

Commentaar

Citaat uit ‘Relaas van het Ontstaan van de Verzetsbeweging in het Westland’: In augustus 1940 “werden er ongeveer 25 cellen van 3 à 4 man onder leiding van ondergetekende [Doelman] opgericht. Verschillende van deze cellen is de kern geworden van het verzet.” De knokploeg die in april 1943 de overval pleegde bestond uit 5 deelnemers t.w. P. Doelman, L.M. Valstar, N. Koers, V. Ph. Vermeer en Joh. Lagerwerf (Zie: GN40-45, 245, noot 9.22).

De knokploegen van augustus 1940 en die ene van 1943 zijn geheel verschillend van karakter. In 1940 was er sprake was een spontaan, min of meer ongeorganiseerd verband van jongens die zich wilden teweerstellen tegen het provocerende optreden van de WA in Naaldwijk. Denkbaar is dat deze jongens elkaar kenden vanuit gym- of sportverenigingen of gereformeerde jongelingsverenigingen. Dat deze groepjes later zijn omgedoopt tot de eerste Westlandse knokploeg is, is meer een kwestie van retrospectie. Doelman heeft er overigens zelf wel de kern van de ‘echte’ Westlandse knokploeg in gezien.


 

Relatie Doelman en Leen Valstar (Bertus)

Citaat

213: ”Er heerste rivaliteit tussen Piet Doelman en Leen Valstar…”

Commentaar

Van Buuren probeert aan te tonen dat er tussen Doelman en Leen Valstar [i.c. de LKP] een gespannen verhouding bestond. E. Slot (2012), 27 en 28, bestrijdt deze voorstelling van zaken.
Dat Doelman na de oorlog verbitterd was over bepaalde kwesties valt niet te ontkennen. Zie ook VB, 236. Nauwkeurige lezing van de bronnen moet duidelijk maken waar de verbittering uit voortkwam. Het verdient aanbeveling dit grondiger uit te zoeken. Niet uit te sluiten valt dat na-oorlogse ontwikkelingen (m.n. het feit dat bepaalde figuren na de oorlog op posten kwamen waar oud-verzetsmensen hen niet duldden) bepaalde beelden hebben versterkt.


 

Wateringse kwestie of de ‘zaak Kwintsheul’

Citaat

40: ”Ook in Kwintsheul, een dorp ten zuiden van Den Haag, maakte Doelman zich schuldig aan mishandeling.”

Commentaar

E. Slot (2012), 10, bestrijdt deze interpretatie van Van Buuren en toont aan door grondige lezing van de bronnen dat Doelman niet daadwerkelijk betrokken was bij mishandelingen in Kwintsheul of Wateringen. J.A. Lipman getuigt in zijn herinneringen als volgt: “Oom Piet… was intussen ook bevrijd en kwam ons enige dagen later inspecteren en de politieke delinquenten controleren. Hierbij deed zich wel een incident voor wat ons later nog wel parten heeft gespeeld na een een ingesteld onderzoek door de M.P. Men vond dat we wat hardhandig waren opgetreden en dat was niet echt een goede zaak.” (Verzetsherinneringen, 275). Deze bron vertelt dus wel dat er hardhandig is opgetreden, maar niet dat dat door Doelman gebeurd zou zijn. Lipman spreekt over ‘we’. Het ligt juist voor de hand dat hij doelde op enkele leden van de Wateringse BS’ers.

In de volgende alinea schrijft Van Buuren dat Doelman zich ook in Kwintsheul schuldig heeft gemaakt aan mishandeling. Nu baseert hij zich op een document getiteld ‘Rapport betreffende illegale werkzaamheden betreffende Oom Piet’ d.d. 17 augustus 1945. Het rapport beweert echter dat Doelman “geen vinger naar den landwachter” heeft uitgestoken. “Integendeel, hij maakte aan de clown-vertooning een eind.” Met andere woorden: Van Buuren verwijst naar een rapport waarin het tegendeel staat van wat hij in zijn boek schrijft. Van Buuren zet de lezer hier op het verkeerde been.

Op p. 103 meldt Van Buuren iets opvallends: “De openbare aanklager [tijdens het proces tegen Doelman cs in 1948] moet op de hoogte zijn geweest van deze rapporten [inzake de Wateringse kwestie, opgesteld door de Militaire Politie] en van de daarin gemelde mishandelingen.” Dat zou kunnen betekenen dat de openbare aanklager in deze rapporten geen grond vond om Doelman verantwoordelijk te houden voor de mishandelingen en dat hij daarom er geen melding van maakt in zijn aanklacht. Van Buuren komt echter niet verder dan de openbare aanklager te verdenken van het bewust verdraaien van de werkelijkheid.

Kwintsheul ligt overigens  tussen Honselersdijk en Wateringen. De aanduiding ‘ten zuiden van Den Haag’ kon wat precieser.


 

Aanmelding lidmaatschap NSB door Francke

Citaat

53: ”Een maand na het bombardement meldden Lein Francke en zijn vrouw zich aan als sympathiserend lid van de NSB.”

Commentaar

E. Slot (2012), 10 en 11, stelt grote vraagtekens bij de suggestie van oorzakelijkheid tussen bombardement en lidmaatschap. “Door de volgorde (geen lid NSB, bombardement, wel lid) en zijn formulering suggereert Van Buuren dat hier sprake is van oorzaak en gevolg. Alsof dat bombardement mevrouw Francke over de streep trok. Alsof Van Buuren duidelijk wil maken waarom ze lid werd. Schandalig, dat bombardement! Logisch dat ze lid werd!” Het sympathiserend karakter van het lidmaatschap veranderde al gauw door het toetreden tot de Landwacht door Lein Francke.


 

Het proces

Citaat

195: ”De verdraaiingen van de feiten door de verdachten, de welwillende houding van de aanklager en de meer dan welwillende houding van de president leidden ertoe dat de door de verdachten gepresenteerde leugenachtige versie van de gebeurtenissen geboekstaafd werd als de ‘officiële’ versie.”

Commentaar

In Nederland geldt het oordeel van de rechter als het einde van alle tegenspraak. Je kunt je twijfels hierbij hebben, want gerechtelijke dwalingen komen voor – helaas. Van Buuren is van mening dat iedere schakel in deze rechtsgang heeft gefaald. E. Slot (2012), 26 en 27 komt tot een andere conclusie. Hier ligt stof voor een nadere studie waarin de vonnissen van de krijgsraad in vergelijkbare gevallen wordt bestudeerd. Pas dan wordt duidelijk of de krijgsraad in het geval van Doelman cs. een te lage straf zou hebben gegeven.

Nu komt de krijgsraad op 12 mei 1948 tot een duidelijke conclusie: “Overwegende dat de raadsman heeft betoogd dat beklaagden hebben gehandeld onder de drang van een zodanige gemoedsbeweging – veroorzaakt door de opsluiting van de beklaagden Doelman en Van der Kooij in de strafgevangenis te Scheveningen en de daarmee gepaard gaande doodbedreiging waaraan eerst op 7 mei 1945 door hun bevrijding een einde kwam en het feit dat beklaagden in het slachtoffer [Lein Francke] de veraarder vermoedden van beklaagden Doelman en Van der Kooij – dat hier naar zijn oordeel [van de raadsman] van overmacht gesproken moet worden; dat dit betoog faalt…” De krijgsraad acht de tenlastelegging [het medeplegen van mishandeling de dood tengevolge hebbend] dus overtuigend bewezen. Dát is de officiële versie!

Van Buuren schrijft op p. 179 e.v. steeds over de president van de krijgsraad alsof deze president alleen het onderzoek heeft verricht en het vonnis heeft geveld. De krijgsraad bestond echter uit drie leden t.w. Lt. Kol. mr. dr. J.P. van Erk, president, Maj. K.Ch. de Pous en Kap. mr. L. Falkenburg.